Karstens column in het Dagblad van het Noorden - 2 oktober 2008

De ezel
Het wereldkampioenschap is altijd een vrij voorspelbare koers met een gecontroleerd wedstrijdverloop. De grote landen starten met negen renners, en in het geval van Italië, Spanje, België en Duitsland zijn dat negen goede renners, waarmee het prima mogelijk is om een koers te controleren. Zeker als er landen zijn met gelijkwaardige belangen.
De afgelopen jaren was er altijd vooraf een hoop speculatie over wat er wel allemaal niet zou kunnen gebeuren in de koers, maar achteraf was het altijd niet zo ingewikkeld en reden de beste renners voor de wereldtitel. Hoe anders was het dit jaar, mijn negende wereldkampioenschap als prof.
Vijfendertig kilometer voor de meet sprak ik met Robert Gesink, samen met mij de enige nog overgebleven Nederlander in de eerste groep van een man of zestig. Hij zei dat hij er doorheen zat, ik zei dat ik me super voelde. We spraken af dat hij mee zou proberen te schuiven in ontsnappingen, zodat ik op mijn gemak zou zitten. Twintig kilometer voor de meet zei bondscoach Egon van Kessel in de communicatie ‘Niet meespringen, gewoon blijven zitten’ op het moment dat Ballan (de latere wereldkampioen) demarreerde. Logisch, want Ballan zou als man uit de tweede lijn alleen de koers hard moeten maken voor zijn kopman Bettini. Vlak voor de laatste finishdoorkomst vocht iedereen voor zijn plek om vooraan te beginnen aan het moment van de waarheid, de beklimming van de Montello. Ik reed vooraan met Boonen, Bettini, Freire, Valverde, Zabel en Schleck. Allen topfavoriet. Dan stokte even het tempo, links en rechts demarreerden er renners van achter in de groep. Ik keek om me heen en zag alleen nog maar kopmannen, die geen knechten meer bij zich hadden. Mijn tactiek in deze koers was geweest om te wachten tot de kopmannen geïsoleerd kwamen te zitten van hun knechten, dan had ik mijn aanval willen plaatsen. Ik ben echt niet zo dom om met Boonen of Bettini naar de meet te willen. Maar de knechten kwamen geïsoleerd te zitten van hun kopmannen! Niemand in onze groep wilde voor de klim op kop rijden met al die toppers in het wiel. Op de klim reden de echte kanonnen nog vol omhoog, maar het gat was al te groot. De koers was gedaan.
Zelden heb ik zo’n rotgevoel gehad over een koers, in Varese heb ik niet kunnen laten zien wat ik waard was en dat geeft een merkwaardig, knagend gevoel. De meeste topkoersen kan je alleen winnen als je slim rijdt, iedere trap die je teveel doet betaal je in de finale terug. In Varese was het echter beter geweest niet na te denken. De dag erna lees ik in de Telegraaf dat de bondscoach vindt dat ik een ezel ben. Hoort hij niet zijn renners te verdedigen, zeker als het ook zijn eigen tactiek was? Het is nu woensdag en ik kan het nog niet loslaten. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik mezelf ook een ezel ga vinden.
Wil je reageren, schrijf dan in het gastenboek